Inleiding 

Het vanzelfsprekende idee van een innerlijk ‘ik’

In onze westerse cultuur gaan we er meestal vanzelfsprekend van uit dat we, naast een lichaam, ook een innerlijke persoon hebben. Die wordt aangeduid als het ‘ik’, het ‘zelf’, de ‘psyche’, de ‘geest’ of het ‘ego’. We ervaren dit innerlijke ‘ik’ als de plek waar gedachten ontstaan, waar beslissingen worden genomen en van waaruit we handelen. Het is alsof er een kapitein op het schip zit die het geheel bestuurt. Vanuit dat idee geloven we ook dat we beschikken over een vrije wil.

Dat idee zit diep in ons taalgebruik verankerd. We zeggen dingen als: ‘ik ben trots op mezelf’, ‘ik voel me waardeloos’ of ‘ik heb besloten om te verhuizen’. Daarmee bedoelen we doorgaans niet ons lichaam. We ervaren het alsof een innerlijke persoon deze gevoelens heeft en deze besluiten neemt. Het lichaam lijkt daarbij eerder een uitvoerend instrument dan de bron van gedrag.

Ook in bredere culturele uitdrukkingen komt dit beeld terug. We spreken over ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’, of zeggen dat ‘het lichaam de tempel van de ziel’ is. In de gezondheidszorg maken we onderscheid tussen lichamelijke en psychische klachten, tussen lichamelijke en geestelijke zorg. Al deze voorbeelden wijzen in dezelfde richting: het idee dat er in ons een niet-lichamelijke kern zit die losstaat van het lichaam.

Om dit idee te illustreren, volgt een korte dialoog:

Cliënt: Ik geloof helemaal niet in een ego, al dat zweverige gedoe.
Therapeut: Dat begrijp ik. Maar voel je je wel eens gekwetst?
Cliënt: Natuurlijk.
Therapeut: Had je toen iets aan je lichaam? Een blauwe plek of zo?
Cliënt: Nee, natuurlijk niet.
Therapeut: Wat was er dan wel beschadigd?
Cliënt:
Therapeut: Dat is dus datgene waarvan je in het begin vertelde niet in te  geloven!

Wat hier zichtbaar wordt, is hoe vanzelfsprekend we aannemen dat er iets anders geraakt kan worden dan het lichaam, ook al kunnen we moeilijk aanwijzen wat dat dan precies is.

* opm: In het begin van deze inleiding heb ik aangegeven dat ‘de innerlijke persoon’ veel benamingen kent. Voor de duidelijkheid en leesbaarheid heb in het vervolg van dit essay gekozen voor de term ‘ego’

Hoofdstuk 1: Het ego, een misvatting?

1.1. De plaats van de mens in de natuur

De mens is het resultaat van een al miljoenen jaren durende evolutie. We delen 99 procent van ons DNA met de chimpansees—en 99,9% met alle medemensen! Wanneer we onze evolutie stamboom bekijken, zien we dat we volle neven en nichten zijn van de chimpansees en bonobo’s, met een gemeenschappelijke voorouder van ongeveer 6,5 miljoen jaar geleden.

Bij het observeren van deze naaste verwanten, met wie we zoveel genetisch materiaal delen,  en die net als wij complexe sociale systemen kennen, veronderstellen we geen onstoffelijk wezen, ziel of autonoom ego. We schrijven hun gedrag toe aan instinct, leerervaring en biologie.

Neem een chimpansee die honger heeft. Wanneer deze een banaan ziet die buiten bereik hangt, verklaren wij de actie niet vanuit een innerlijke ‘chimp-ziel’ of ‘ego’. In plaats daarvan zeggen we: de biologische behoefte (honger) activeert het instinct om voedsel te zoeken. De cognitieve bedrading, de eerdere leerervaringen en de omgeving bepalen vervolgens of de chimp een stok zal gebruiken, op een doos zal klimmen of gefrustreerd zal weglopen.

Dit roept de vraag op  waarom wij een uitzondering zouden zijn? Wanneer in onze evolutionaire geschiedenis zou die magische sprong hebben plaatsgevonden? Welke specifieke gebeurtenis in de keten van oorzaken maakte van de ene primaat een ‘gewoon’ dier,  en van de volgende een wezen met een onstoffelijke, innerlijke persoon?

Vanuit evolutionair gezichtspunt is die grens niet te trekken en is die ‘sprong’ uitermate onwaarschijnlijk

1.2  Neurowetenschappelijk onderzoek

Decennia van neuro-wetenschappelijk onderzoek hebben één ding duidelijk gemaakt: er is nooit een specifiek hersengebied gevonden dat we kunnen aanwijzen als de zetel van het ego. In plaats daarvan zien wetenschappers dynamische netwerken die samenwerken wanneer we over onszelf nadenken, herinneringen ophalen, of ons voorstellen hoe anderen ons zien. Ons zelfgevoel is dus geen vaste entiteit of plek, maar een constant bewegend proces.

Het meest opvallende inzicht is dat het grootste deel van ons denken en handelen zelfs onbewust plaatsvindt. Ongeveer 95% van onze hersenactiviteit gebeurt buiten ons bewuste blikveld. Hierdoor is ons zogenaamde ‘bewuste ik’ vaak pas achteraf op de hoogte van beslissingen die ons brein al lang in gang heeft gezet.

Dit fenomeen werd al in de jaren tachtig aangetoond met het beroemde experiment van Benjamin Libet. Proefpersonen dachten dat ze op een willekeurig moment besloten een knop in te drukken. Hun hersenactiviteit kon echter al 350 milliseconden vóór hun bewuste beslissing voorspellen dat ze gingen drukken. Later onderzoek liet zelfs zien dat hersenscans tot zes seconden vooraf konden voorspellen wat iemand zou gaan beslissen.

1.3 De geschiedenis

Het idee van een onafhankelijk, beslissend ego is niet van alle tijden. In veel oude culturen werd gedrag niet gezien als iets wat uit een innerlijk ‘ik’ voortkwam, maar als gestuurd door goden, geesten of voorouders. Mensen voelden zich deel van een groter geheel, niet de autonome beslissers van hun lot.

Dit veranderde met religies zoals het christendom, dat de overtuiging bracht dat ieder mens een ziel had, die boven het lichaam stond en verantwoordelijk was voor zonde en verlossing. In de moderne tijd is die ziel geleidelijk vervangen door het ego—een innerlijke entiteit die zou kiezen en bepalen. Hoewel veel  mensen religie achter zich hebben gelaten, leven we nog steeds met een vergelijkbaar geloof. Het ego is de seculiere erfgenaam van de ziel.

1.4. Conclusie

De overtuiging dat we de kapitein zijn die de koers bepaalt, is een illusie die door het brein wordt geconstrueerd. Wanneer de innerlijke persoon niet bestaat is de onvermijdelijke conclusie dat we ons lichaam zijn. Een organisme dat handelt als onderdeel van een keten van oorzaken, net als alles in de natuurlijke wereld.

Dit betekent niet dat gedrag willekeurig is of dat er geen keuzes plaatsvinden. Er worden voortdurend afwegingen gemaakt, maar niet door een losstaande innerlijke beslisser. Wat wij ‘kiezen’ noemen, is het resultaat van processen in het brein die grotendeels buiten het bewustzijn verlopen. Die processen wegen eerdere ervaringen, aangeleerde patronen, verwachtingen en actuele omstandigheden tegen elkaar af. Daardoor kunnen mensen plannen maken, impulsen uitstellen en gedrag aanpassen, zonder dat daar een onafhankelijk ‘ik’ aan te pas komt.

Dit besef kan confronterend zijn, maar ook bevrijdend. Want als niemand zijn gedrag werkelijk kiest, verliest de schuld haar absolute betekenis en krijgt begrip een diepere grond.

Hoofdstuk 2 : Waarom geloven we in een ego?

2.1. De Ik-ervaring

Een belangrijk principe in de evolutie is dat eigenschappen die helpen bij het behoud van het individu en de soort, blijven, en dat wat niet helpt weer verdwijnt. Bij dieren die in complexere groepen leven, zoals olifanten, apen en mensen, bleek één eigenschap zeer nuttig. Dit is het vermogen om je jezelf te herkennen en te kunnen onderscheiden van de ander. Dit vergemakkelijkt de onderlinge communicatie en het opbouwen van relaties, wat de kans op overleven groter maakt.

Bij apen en olifanten is dit vermogen aangetoond d.m.v. de zogenaamde spiegel-test, waarbij het dier een sticker op zijn voorhoofd krijgt geplakt. Deze dieren proberen die sticker af te trekken wanneer ze zichzelf in de spiegel zien.

Bij de mens openbaart dit vermogen zich tussen 18 en 24 maanden. Je zou dit de geboorte van het biologisch-ik kunnen noemen. Dit ‘ik’ is in het begin alleen nog maar een ervaring dat je iets anders bent dan je omgeving. In de loop van de tijd krijgt het steeds meer vorm doordat je leert er allerlei woorden en zinnen aan te koppelen.

Je kunt in het begin alleen nog maar naar jezelf wijzen (of schreeuwen, huilen) wanneer je wat wil. Later weet je dat je ‘Jantje’ heet. Dit breidt zich steeds verder uit tot je op gegeven moment ‘iemand’ bent die Jan heet, die in Boskoop woont, 5 jaar oud is, en een hekel heeft aan spinazie.

Bij het ouder worden komen daar steeds meer abstracte kenmerken bij. Je kunt dan bijvoorbeeld zeggen dat je intelligent en extravert bent en alles uit het leven wil halen wat er in zit. Uiteindelijk is de ik-ervaring helemaal “gevuld” met je levensverhaal, normen, waarden en overtuigingen.

De ik-ervaring is reëel, maar een functie van het lichaam (zoals taal), nodig om te overleven.

2.2. Onzichtbare Oorzaken

Hier gaat het erom dat we onze acties en gedragingen waarnemen, maar de dieperliggende, vaak complexe oorzaken daarvan niet bewust zien of begrijpen. Ons brein vult dit gat in de informatie op door de conclusie te trekken dat er een actieve, innerlijke entiteit – het ‘ik’ of het ego – moet zijn die deze acties bewust initieert.

Voorbeeld: Als je plotseling zin krijgt om te gaan wandelen, zie je de actie (“Ik ga wandelen”), maar je ziet niet de mogelijke onzichtbare oorzaken, zoals een lichte daling in serotonine of een subtiele verandering in de buitentemperatuur die je onderbewustzijn interpreteert als een behoefte aan verandering of beweging. Wanneer je dan gaat wandelen denk je dat jij de beslissing genomen hebt, wat dus niet zo is!

2.3. Taalkundige Koppeling

In onze taal koppelen we het persoonlijke voornaamwoord ‘ik’ standaard aan actieve werkwoorden. Denk aan zinnen als: “Ik denk,” “Ik wil,” “Ik loop,” of “Ik heb besloten”. Door deze constante koppeling krijgt het voornaamwoord ‘ik’ een actieve, uitvoerende lading. De taal suggereert  daarmee automatisch dat er een onafhankelijk, centraal orgaan moet zijn dat de gedachte initieert, de wil voelt, of de beweging daadwerkelijk start. Dit helpt de illusie van een sturend ‘ik’ in stand te houden.

2.4. Religieuze Erfenis

Door de geschiedenis heen hebben religies  het idee van een onafhankelijke, niet-materiële innerlijke persoon – de geest, de ziel, of de ātman – verankerd in onze cultuur.  Veel geloven  gaan uit van de scheiding tussen het lichaam (de materie) en de ziel/geest (de niet-materie). De ziel wordt hierbij  gezien als de essentie van de persoon, de ware zetel van het bewustzijn, en de uitvoerder van de wil. Deze overtuiging creëert het ultieme actieve innerlijke ‘ik’. Hier komt nog bij  dat de ziel onsterfelijk wordt geacht, wat de gedachte  versterkt dat dit ‘ik’ onafhankelijk is van de fysieke, biologische processen van het lichaam.

2.5. Samenvatting

De ik-ervaring is waarschijnlijk een belangrijke oorzaak voor de misvatting van een onafhankelijk ego. Een illusie die versterkt wordt doordat we vaak de echte oorzaken van ons gedrag niet kennen, door het effect van onze taal en de religieuze erfenis

Hoofdstuk 3: De natuurlijke basis

Nu  aannemelijk is gemaakt dat het ego  een illusie is, en we de psychologische en historische oorzaken van dit geloof hebben beschreven, rest de vraag: Kan het kwaad om in dit ego te geloven?

Om te bepalen of dit geloof een probleem vormt voor ons welzijn is het goed om een soort ‘nul-meting’ te hebben van onze aangeboren functies en mogelijkheden. Hierbij ga ik uit van de evolutietheorie van Darwin en de behoeftetheorie van Maslow. Deze laatste is niet onomstreden ( zie link), maar zijn ideeën zijn mijns inziens bruikbaar genoeg om ze hier toe te passen.Bij dit alles wordt een selectie gemaakt van die menselijke functies die naar mijn idee erg gevoelig zijn voor de invloed van het ego.

3.1. Motivatie

De mens is een evolutionair product met één allesoverheersende, ingebakken drive: overleving en het behoud van de soort. Bij de mens vertaalt deze algemene motivatie zich in een gelaagde reeks behoeften (zoals beschreven door Maslow en anderen) die ons dagelijks activeren en sturen.

Sociale Behoefte: 

De mens is een sociaal dier. De behoefte aan liefde, vriendschap en groepsverbondenheid is essentieel omdat overleving evolutionair afhankelijk is van de groep. Alleen in een hechte groep was bescherming, jacht en voortplanting mogelijk. De sociale behoefte is dus een krachtige motor voor samenwerking en het voorkomen van isolatie.

Behoefte aan Erkenning/Waardering

De behoefte aan erkenning en waardering is evolutionair gezien belangrijk omdat het een directe motor is voor gedrag dat de groep ten goede komt. Het maakt een individu gevoelig voor de reacties uit de omgeving. Als de groep jouw gedrag positief bekrachtigt (bijvoorbeeld met respect of lof), geeft dat het signaal dat jouw handelingen – zoals het delen van voedsel, het tonen van moed tijdens de jacht, of het bemiddelen bij conflicten – waardevol zijn voor de overleving en het welzijn van de gemeenschap. Dit moedigt aan om dit nuttige gedrag te herhalen en je zo optimaal mogelijk te ontwikkelen binnen de groep. 

 Behoefte aan ontwikkeling.  

De drang om te groeien en talenten en vermogens te benutten is een fundamentele, ingebakken drijfveer. Vanuit een evolutionair gezichtspunt is dit een belangrijk mechanisme. Een organisme dat continu zijn probleemoplossende vaardigheden verbetert, is namelijk beter uitgerust om nieuwe bedreigingen aan te pakken en zich aan te passen aan een veranderende omgeving.

Dit vertaalt zich in menselijk gedrag als  nieuwsgierigheid en de zoektocht naar uitdagingen. Het is de innerlijke drang die ons aanzet om nieuwe talen te leren, complexe wetenschappelijke vraagstukken op te lossen, of kunst te creëren. 

Deze behoefte zorgt ervoor dat de mens nooit stilstaat en garandeert dat de soort een zo hoog mogelijk aanpassingsvermogen behoudt. Zonder deze interne drang zou de menselijke soort in ontwikkeling stagneren, waardoor de overlevingskansen op de lange termijn aanzienlijk zouden verminderen.

3.2. Het gereedschap

Om te overleven  zijn, zoals hiervoor beschreven,  afhankelijk van de groep. Een vereiste  daarvoor is dat je moet kunnen samenwerken, conflicten oplossen en rekening houden met anderen. Hiervoor beschikken we over enkele biologisch verankerde vermogens, zoals:

Empathie

Empathie is het vermogen om de gevoelens van anderen te begrijpen en mee te voelen. Dit vermogen is biologisch in ons lichaam ingebouwd. Spiegelneuronen in de hersenen worden actief wanneer we zien dat iemand anders iets doet of voelt, waardoor we die emoties als het ware zelf ervaren. Ook andere zoogdieren, zoals olifanten en apen, laten empathisch gedrag zien. Olifanten bijvoorbeeld troosten elkaar door hun slurf om een ander te slaan of zachtjes te strelen als een van hen verdrietig is. Apen delen voedsel met soortgenoten die de pijn of stress ervaren, zelfs als ze het zelf moeilijk hebben.

 Het Vermogen om (On)Rechtvaardigheid te Ervaren

Dat het vermogen om onrechtvaardigheid te ervaren een biologisch verankerd vermogen is, zien we terug in het gedrag van primaten. Dit blijkt uit een beroemd experiment met kapucijnapen, uitgevoerd door onder anderen de primatoloog Frans de Waal. In dit onderzoek voeren twee apen dezelfde simpele taak uit: een steen teruggeven aan een onderzoeker. Als beloning voor deze identieke inspanning krijgt de ene aap een stuk komkommer—een beloning die ze prima vinden—en de andere aap krijgt een veel lekkerdere druif. De aap met de komkommer toont dan een opmerkelijke reactie: hij wordt woedend en gooit de komkommer terug wanneer hij ziet dat zijn buurman voor dezelfde moeite een superieure beloning ontvangt. Dit gedrag toont aan dat primaten hun beloning niet alleen op zichzelf beoordelen, maar deze automatisch vergelijken met de beloning die anderen ontvangen. Dit diepgewortelde verzet tegen ongelijkheid is de biologische basis van onze menselijke norm van rechtvaardigheid.

Wederkerigheid en Hulpvaardigheid

Een van de basisprincipes van veel sociale normen is wederkerigheid: je helpt anderen, met de verwachting dat zij jou op hun beurt zullen helpen wanneer je in nood bent. Dit gedrag is geen puur menselijke constructie, maar een biologisch verankerd sociaal mechanisme, wat we onder andere zien bij chimpansees. Frans de Waal heeft waargenomen dat chimpansees die eerder zijn geholpen—bijvoorbeeld door steun in een gevecht of het delen van schaars voedsel—later een grotere neiging vertonen om zélf hulp te bieden. Ze functioneren alsof ze een soort mentale boekhouding bijhouden van wie coöperatief is geweest en wie niet. Dit ‘voor wat hoort wat’ gedrag is een cruciale voorloper van onze menselijke normen van eerlijkheid en sociale verplichting.

3.3 Emoties

Emoties zijn veel meer dan alleen maar gevoelens; ze zijn biologisch verankerde, snelle signaalsystemen die ons dwingen tot actie en ons helpen onze evolutionaire drijfveer (overleving en behoud van de soort) te realiseren. Ze zijn de directe aanjagers van gedrag.

Angst

Angst is de oeroude overlevingsrespons van het zenuwstelsel. De primaire functie ervan is het lichaam onmiddellijk te mobiliseren bij dreigende situaties. Zodra een gevaar wordt waargenomen, wordt de zogenoemde vecht-vlucht-of-bevriesreactie geactiveerd. Het lichaam spant zich aan, de hartslag en ademhaling versnellen, de aandacht vernauwt en energie wordt vrijgemaakt om snel te kunnen handelen. Deze reactie verloopt grotendeels automatisch en is niet het resultaat van bewuste afwegingen.

Boosheid/Agressie

Boosheid dient als een krachtige emotionele motor om situaties aan te pakken die als onrechtvaardig worden ervaren of die een inbreuk vormen op iemands status of territorium. De agressie die hieruit voortkomt motiveert tot het aanpakken van een probleem in de omgeving.

Verdriet/Rouw: 

Verdriet en rouw zijn reacties op verlies (van een dierbare, sociale status of een belangrijk doel). Hoewel ze op het moment verlammend lijken, hebben ze twee belangrijke functies: Ze dwingen ons een pauze te nemen, het verlies te erkennen en de energie te concentreren op het verwerken van de verandering, zodat we ons daarna opnieuw kunnen aanpassen. Verder is het krachtig sociaal signaal aan de groep. Het roept mededogen en steun op bij groepsgenoten, wat belangrijk is voor de overleving van het rouwende individu en het herstel van de sociale banden.

Trots: 

Trots is de emotie die wordt ervaren na een persoonlijke prestatie of een succesvolle inspanning die de groep ten goede komt. Het beloont de inspanning en motiveert het individu om door te gaan, talenten te benutten en zich verder te ontwikkelen.

3.4. Conclusie: 

De mens wordt geboren met een rijk pakket aan biologische mogelijkheden om een sociaal, creatief, rechtvaardig en emotioneel evenwichtig leven te leiden. Onze evolutionaire drijfveren en gereedschappen bereiden ons voor op samenwerking en groei.  In het volgende hoofdstuk zal duidelijk worden dat het geloof in een onafhankelijk ‘ik’ – het ego – de ontwikkeling van deze aangeboren vermogens in grote mate verstoort en ondermijnt.

Hoofdstuk 4:   Wanneer het geloof in een ego het stuur overneemt

Stel je een mens voor zonder het idee dat er diep vanbinnen een losstaand ‘ik’ zit dat alles bestuurt. Niet iemand zonder gedachten of gevoelens, maar iemand die eenvoudigweg leeft, reageert, leert en zich aanpast — zoals andere sociale zoogdieren dat doen. Zo begint ieder mens zijn leven. Met behoeften, emoties en sociale vermogens die vanzelf hun werk doen.

Pas later verschijnt er een verhaal. Het verhaal van mij. Dat verhaal lijkt onschuldig. Het helpt ons om ervaringen te ordenen, om over onszelf te praten, om plannen te maken. Maar langzaam verandert het van een handig hulpmiddel in iets wat we voor waar aannemen: het idee dat er een innerlijke persoon bestaat die eigenaar is van gedachten, gevoelens en daden. Vanaf dat moment gaat dat verhaal zich met alles bemoeien.

4.1 Het Ego: Bescherming en strijd

Het ego is geen zelfstandig wezen dat in ons huist, maar een denkbeeld, een  overtuiging over wie we zijn. We hebben er geen directe ervaring van zoals van ons lichaam, maar slechts een beeld — een zelfbeeld. Toch ervaren we dit beeld vaak alsof het echt is, iets wat  beschermd moet worden.

Net zoals we automatisch ons lichaam beschermen tegen gevaar, verdedigen we ook dit zelfbeeld. Wanneer we struikelen, brengen we onze handen voor ons gezicht. Wanneer het koud is, zoeken we warmte. Dat gebeurt zonder nadenken. Op een vergelijkbare manier reageren we wanneer ons zelfbeeld wordt bedreigd. Een kritische opmerking, een afwijzing of een mislukking kan hetzelfde alarmsysteem activeren als een fysieke dreiging.

Wanneer we het ego verdedigen, beschermen we daarom niet iets concreets, maar vooral een beeld: het idee van wie we zijn en hoe we gezien willen worden.

4.1.1 Beschermen van het zelfbeeld

Ego-gericht gedrag is gedrag dat gericht is op het beschermen van dit zelfbeeld. Het gaat dan om de behoefte om niet te falen, om serieus genomen te worden, om niet dom of zwak over te komen. Meestal gebeurt dit zonder dat we het doorhebben. We ervaren ons gedrag niet als ‘ego’, maar als logisch of noodzakelijk.

In het dagelijks leven zien we dit voortdurend. Denk aan iemand die in een discussie koste wat kost gelijk wil krijgen. Vaak gaat het niet echt om het onderwerp, maar om wat ongelijk krijgen betekent: het gevoel niet slim genoeg te zijn of gezichtsverlies te lijden. Of neem iemand die geen hulp durft te vragen, ook al zou dat verstandiger zijn. Niet omdat hulp vragen verkeerd is, maar omdat het voelt als toegeven dat je het niet alleen kunt.

Ook defensief reageren op feedback hoort hierbij. Een opmerking kan bedoeld zijn als suggestie of verbetering, maar wordt ervaren als kritiek op de persoon zelf. Het gevolg is dat iemand zich afsluit, in de verdediging schiet of de ander gaat wantrouwen. Zo wordt leren moeilijker en komen relaties onder spanning te staan.

4.1.2 Vergroten van het zelfbeeld

Naast beschermen is er nog een andere beweging: het vergroten van het ego. Waar bescherming voortkomt uit angst om iets te verliezen, draait vergroten om verlangen naar meer. Meer waardering, meer erkenning, meer succes, meer bevestiging dat we ertoe doen. Dit kan eruitzien als ambitie of zelfvertrouwen, maar is vaak ook afhankelijk van hoe anderen reageren.

We zien dit bijvoorbeeld in het benadrukken van prestaties, het delen van successen of het voortdurend vergelijken met anderen. Als we ons beter voelen dan een ander, stijgt ons zelfbeeld tijdelijk. Maar die stijging is kwetsbaar. Ze hangt af van omstandigheden, van complimenten en van vergelijking. Zodra die wegvallen, zakt het gevoel weer in.

Het ego en het dagelijks leven

Op de werkvloer wordt deze dynamiek bijvoorbeeld vaak zichtbaar. Iemand kan geneigd zijn projecten naar zich toe te trekken om te laten zien hoe capabel hij is. Of ideeën van collega’s worden gepresenteerd alsof ze van henzelf zijn. Soms wordt dit gedrag zelfs beloond met promotie of status. Tegelijkertijd leidt de samenwerking eronder. Collega’s voelen zich minder gezien, vertrouwen neemt af en competitie vervangt samenwerking.

Hoewel dit gedrag op korte termijn succes kan opleveren, heeft het op langere termijn een prijs. Het werkklimaat verhardt, mensen worden voorzichtiger en echte uitwisseling verdwijnt.

Verder dan het dagelijks leven

Wat op persoonlijk niveau tot spanning en conflict leidt, kan op grotere schaal ernstige gevolgen hebben. Wanneer mensen met macht sterk vanuit hun ego handelen, komt het beschermen van hun imago en positie centraal te staan. Kritiek wordt ervaren als aanval, tegenspraak als bedreiging en gezichtsverlies als iets dat koste wat kost moet worden vermeden. Beslissingen worden daardoor steeds minder genomen op basis van wat verstandig of noodzakelijk is, en steeds meer vanuit de behoefte om controle en aanzien te behouden.

Als dit mechanisme niet wordt begrensd, kunnen conflicten escaleren. In plaats van tijdig bij te sturen of grenzen te erkennen, wordt ingezet op macht en doorzetting. Wat begint als zelfbescherming aan de top, kan zo uitmonden in grootschalig lijden met gevolgen voor hele samenlevingen.

Samenvatting:

Wanneer mensen sterk vanuit hun ego handelen, wordt samenwerken lastiger. Feedback voelt als een aanval, andere meningen als een bedreiging en het succes van anderen als een aantasting van de eigen waarde. In plaats van samen problemen op te lossen, zijn mensen bezig hun positie te verdedigen en hun imago te beschermen. Dat kost veel energie en ondermijnt vertrouwen.

Ook het vermogen om te leren lijdt hieronder. Zolang fouten of mislukkingen worden gezien als bewijs van persoonlijk falen, ontstaat de neiging om ze te ontkennen, goed te praten of de schuld bij anderen te leggen. Hierdoor wordt niet meer helder gekeken naar wat er werkelijk gebeurde en wat ervan geleerd kan worden. Leren vraagt om openheid en het toelaten van onzekerheid, maar juist dat voelt voor het ego onveilig en wordt daarom vermeden.

Deze dynamiek beperkt zich niet tot het dagelijks leven of de werkvloer. Wanneer mensen met veel macht of invloed sterk vanuit hun ego handelen, kan de behoefte aan bevestiging en controle steeds groter worden. In zulke gevallen kan het ego niet alleen individuele relaties verstoren, maar ook groepen, organisaties en zelfs samenlevingen grote schade toebrengen.

4.2 Het Ego: Emoties

Wanneer dingen in het leven misgaan, wanneer je  fouten maakt of vergissingen begaat, ervaar je natuurlijke en onvermijdelijke emoties zoals angst, boosheid of verdriet. Deze gevoelens helpen bij de verwerking van tegenslag en dwingen ons om na te denken, zodat we  lessen trekken uit de situatie. Ze zijn de gezonde stap op weg naar herstel en groei. Dit herstel kan echter ernstig bemoeilijkt worden door de overtuiging een ‘ego’ te hebben. Dit houdt namelijk in dat jij zou kiezen voor je gedrag en  daardoor ook verantwoordelijk bent voor het resultaat ervan. Dit verandert  je van een onderdeel in een keten van oorzaken in een schuldige.  Emoties worden dan geen hulpmiddelen meer maar problemen. Zij worden heftiger, blijven langer hangen en staan het zoeken naar oplossingen in de weg.. In de volgende voorbeelden zal dit verder verduidelijkt worden.

Casus: angst

Een man werkt al jaren in een functie waarin veel extravert gedrag wordt verwacht. Vergaderingen, presenteren, snel reageren en jezelf zichtbaar maken zijn vanzelfsprekende onderdelen van het werk. Hoewel hij zijn taken inhoudelijk goed uitvoert, ervaart hij in deze situaties vaak angst. Zijn lichaam reageert met onrust, verhoogde hartslag en vermoeidheid. Na sociale werkdagen voelt hij zich leeg en uitgeput.

Omdat deze spanning steeds terugkeert, gaat hij ervan uit dat het probleem bij hem ligt. Hij vindt dat hij socialer zou moeten zijn, sneller van repliek, minder gevoelig voor druk. Angst wordt zo niet alleen een lichamelijke reactie, maar een oordeel over zichzelf: anderen kunnen dit wel, dus er is iets mis met mij. De aandacht verschuift van de werksituatie naar zijn vermeende tekortkomingen.

Vanaf dat moment wordt de angst structureel. Hij begint situaties vooruit te denken, bereidt zich overdreven voor en probeert zijn spanning te onderdrukken. Dit vergroot de druk en bevestigt telkens opnieuw het idee dat hij tekortschiet. In plaats van te onderzoeken wat de angst oproept, blijft hij zoeken naar oplossingen binnen zichzelf. Hij past zich aan, forceert extravert gedrag en negeert signalen van overbelasting. In de loop der jaren raakt hij meerdere keren uitgeput.

Pas later komt hij in aanraking met het inzicht dat introversie en extraversie geen betere of slechtere eigenschappen zijn, maar verschillende temperamenten. Hij herkent zichzelf als iemand die energie haalt uit rust, voorbereiding en verdieping, en die juist leegloopt op voortdurende sociale prikkels. Dit inzicht verandert zijn werk niet meteen, maar wel zijn interpretatie. De angst blijkt geen teken van zwakte, maar een logische reactie op een langdurige mismatch tussen zijn aanleg en de eisen van zijn functie.

Door het wegvallen van zelfverwijt ontstaat ruimte. De angst verliest haar vaste greep en wordt weer situatiegebonden. Vanuit die ruimte wordt het mogelijk om oplossingen te zien: grenzen stellen, herstelmomenten inbouwen, taken anders organiseren of uiteindelijk werk zoeken dat beter aansluit bij zijn temperament. Wat hem jarenlang verlamde, blijkt geen persoonlijk falen, maar een begrijpelijke reactie die pas problematisch werd door de koppeling aan zijn zelfbeeld.

Casus: boosheid

Een man werkt al twintig jaar op een verpleegafdeling en ontvangt in functioneringsgesprekken vrijwel altijd positieve beoordelingen. Zijn leidinggevende laat meermaals doorschemeren dat hij in hem een toekomstig afdelingshoofd ziet. Wanneer er een vacature vrijkomt, solliciteert Pieter met vertrouwen. Tot zijn grote teleurstelling wordt niet hij, maar een jongere collega met minder ervaring benoemd. De teleurstelling slaat al snel om in boosheid, die zich vooral richt op het nieuwe afdelingshoofd en het hoofd verplegingsdienst. Omdat hij die boosheid niet rechtstreeks durft te uiten, keert deze zich naar binnen en raakt hij verbitterd. Deze verbittering ondermijnt geleidelijk zijn functioneren. De betrokkenheid neemt af, conflicten stapelen zich op en uiteindelijk verliest hij zijn baan. Wat begon als een begrijpelijke emotionele reactie op teleurstelling, mondt uit in zelfdestructief gedrag.

Boosheid over vermeend onrecht is op zichzelf een natuurlijke reactie. Het probleem ontstaat wanneer deze emotie zich richt op personen.  De situatie wordt dan niet meer benaderd als een teleurstellende of mogelijk onrechtvaardige gebeurtenis, maar als het gevolg van een kwaadwillend ander

Wanneer de man had kunnen zien dat er geen schuldige kan zijn — slechts een besluit met voor hem nadelige gevolgen — was er ruimte ontstaan voor andere reacties. Hij had zijn energie kunnen richten op het versterken van zijn competenties, het afwachten van een nieuwe kans of het zoeken naar andere uitdagingen. Dit sluit het uiten van boosheid niet uit. Het kan zinvol zijn die te uiten wanneer dit bijdraagt aan verandering, maar niet wanneer zij wordt gedreven door blinde woede en haat.

Casus:  Verdriet

Verdriet is een natuurlijke reactie op verlies en vervult een duidelijke functie. Het vertraagt het handelen en brengt het organisme tot stilstand wanneer een ingrijpende verandering heeft plaatsgevonden. Door deze vertraging wordt het verlies niet ontkend of overgeslagen, maar erkend. Verdriet maakt ruimte voor steun van anderen en helpt de werkelijkheid opnieuw te ordenen: oude verwachtingen worden losgelaten en aangepast aan wat er niet meer is. In deze vorm is verdriet geen stoornis, maar een noodzakelijk proces dat het individu in staat stelt zich opnieuw tot de wereld te verhouden.

In dit geval beëindigt een vrouw een relatie die jarenlang een centrale plaats in haar leven heeft ingenomen. In de weken daarna verandert haar functioneren merkbaar. Ze trekt zich terug, haar energie is laag en dagelijkse activiteiten kosten moeite. Herinneringen aan de relatie dienen zich onverwacht aan en gaan gepaard met momenten van huilen. Gaandeweg wordt ze ook steeds meer gekweld door gedachten als “Ik ben verlaten.” “Ik was niet genoeg.” “Mij overkomt dit altijd.” Het verlies wordt niet langer alleen ervaren als het einde van een relatie, maar als persoonlijke afwijzing en tekortschieten.  Door deze ego-gedachten verliest het verdriet zijn beweeglijkheid. Waar het eerder kwam en ging, wordt het nu vastgehouden en herhaald. Steun van anderen verliest zijn verzachtende werking en kan zelfs weerstand oproepen, omdat zij niet aansluit bij het innerlijke verhaal dat zich heeft gevormd. Zo wordt een natuurlijk rouwproces onderbroken en verlengd, niet door het verlies zelf, maar door de negatieve gedachten over zichzelf.

Casus: Schuldgevoel

Schuldgevoel is geen basisemotie zoals in de hiervoor beschreven gevallen. Het begint als angst. Die angst ontstaat wanneer het contact met anderen onder druk komt te staan. Mensen zijn sociale wezens: we hebben elkaar nodig en willen erbij horen. Wanneer er iets mis dreigt te gaan in een relatie, slaat het lichaam alarm. Dat voelt onrustig en ongemakkelijk, maar het is in feite een heel normaal signaal.

Stel dat iemand in een drukke week kortaf reageert tegen een partner of collega. Op dat moment lijkt het niet zo belangrijk, maar later komt er een knagend gevoel op. Had ik dit anders moeten zeggen? Heb ik iemand gekwetst? Die onrust is geen teken dat er iets mis is met iemand, maar een uitnodiging om te kijken of er iets rechtgezet kan worden — bijvoorbeeld door het gesprek opnieuw aan te gaan of excuses te maken.

In haar oorspronkelijke vorm is deze angst tijdelijk. Ze verschijnt wanneer iemand beseft dat zijn gedrag gevolgen heeft gehad en verdwijnt weer wanneer het contact is hersteld of wanneer duidelijk wordt dat het probleem voorbij is. De emotie heeft dan haar functie vervuld.

Het probleem ontstaat wanneer het verhaal over het ‘ik’ ermee aan de haal gaat. De aandacht verschuift dan van de situatie naar de persoon zelf. In plaats van “dat ging niet handig” ontstaat de gedachte “ik ben fout” of “ik heb gefaald”. Schuldgevoel wordt dan geen signaal meer over wat er is gebeurd, maar een oordeel over wie iemand is. Het blijft hangen, ook wanneer de situatie allang voorbij is en niemand er meer mee bezig is.

Wanneer dit persoonlijke verhaal wegvalt, verandert de ervaring. De angst is er misschien nog even, maar ze blijft niet vastzitten. Ze wordt weer ervaren als een tijdelijke reactie op iets wat is gebeurd, niet als bewijs van persoonlijk falen. Schuldgevoel verliest dan zijn zware lading en kan uitdoven, of — als dat nodig is — helpen om alsnog iets te herstellen.

Zo blijkt schuldgevoel geen teken dat iemand slecht of tekortschietend is, maar een normale emotie die vast is komen te zitten doordat zij te persoonlijk is opgevat.

Het loslaten van schuld betekent niet dat alles vrijblijvend wordt. Het betekent dat handelen niet langer wordt gedreven door zelfverwijt, maar door aandacht voor wat de situatie vraagt. De vraag verschuift van wie is schuldig? naar wat is hier nodig?

Deze vorm van verantwoordelijkheid is toekomstgericht en constructief. Ze richt zich niet op het herkauwen van het verleden, maar op handelen in het heden. Fouten kunnen worden erkend zonder dat zij een zelfbeeld aantasten. Leren wordt mogelijk zonder schaamte. Zo ontstaat een houding die zowel realistisch als mild is.

Casus: spijt 

Ook spijt is geen basisemotie.Het is een ‘andere smaak’  van boosheid, waarbij zelfverwijt centraal staat.

‘Een oudere man kijkt terug op zijn leven en wordt geplaagd door spijt over keuzes die hij heeft gemaakt. In gedachten vergelijkt hij zijn leven met hoe het volgens hem had kunnen verlopen. Relaties die hij niet is aangegaan, kansen die hij heeft laten liggen, momenten waarop hij anders had willen handelen. Hij concludeert dat hij tekort is geschoten en verwijt dit zichzelf. Dit negatieve gevoel gaat zijn leven steeds meer beheersen waardoor hij tot niets meer komt, zichzelf gaat verwaarlozen en uiteindelijk in een depressie belandt.

Wanneer hij in aanraking komt met het inzicht dat menselijke keuzes altijd voortkomen uit een samenloop van aanleg en omstandigheden, verandert zijn perspectief. Niet omdat het verleden wordt goedgepraat, maar omdat het idee van een vrij, losstaand zelf dat anders had kunnen handelen, wegvalt. Zelfverwijt verandert in begrip. .Er blijkt geen schuldige te zijn, alleen een leven dat zich heeft voltrokken zoals het zich moest voltrekken. In die erkenning ontstaat ruimte voor mildheid tegenover zichzelf en voor aandacht voor het leven dat er nu is’

Casus: eenzaamheid

Eenzaamheid is evenals schuldgevoel en spijt geen basisemotie. Het is in wezen een vorm van angst. Het gaat om angst die ontstaat wanneer het lichaam het gebrek aan nabijheid of verbondenheid registreert.

Vanuit evolutionair oogpunt is dat logisch. Mensen zijn sociale wezens. Duizenden generaties lang was overleven afhankelijk van de groep: bescherming, voedsel en zorg kwamen voort uit samenwerking. Alleen zijn betekende kwetsbaar zijn. Angst bij dreigende afzondering is daarom geen zwakte, maar een ingebouwd waarschuwingssignaal. Het lichaam zegt als het ware: let op, dit vraagt aandacht. Op zichzelf is deze angst dus niet problematisch.

Het probleem ontstaat wanneer het ego zich ermee gaat bemoeien. Gedachten maken de angst persoonlijk: ik schiet tekort, anderen hebben dit wel, het is mijn eigen schuld. De emotie wordt dan niet meer gezien als een signaal, maar als iets dat wat zegt over wie iemand is. De angst verandert in schaamte.

“Opvallend is dat gevoelens van eenzaamheid tijdens de eerste coronaperiode bij veel mensen niet toenamen, ondanks objectieve sociale beperkingen. Dit suggereert dat eenzaamheid niet simpelweg voortkomt uit alleen-zijn, maar uit de betekenis die eraan wordt toegekend. Wanneer sociale isolatie niet langer als persoonlijk tekort wordt ervaren, maar als gedeelde maatschappelijke realiteit, verliest zij een belangrijk deel van haar psychologische lading.”
— gebaseerd op van der Velden et al. (2021)

Deze schaamte verandert de werking van de emotie. Waar angst in eerste instantie kan aanzetten tot actie, werkt schaamte juist remmend. Initiatief nemen voelt riskant, hulp vragen beschamend. De mogelijkheid om steun te accepteren wordt kleiner, terwijl de behoefte eraan groeit. Zo raak je gevangen in een vicieuze cirkel: hoe sterker de schaamte, hoe groter de terugtrekking, en hoe intenser de eenzaamheid wordt.

Wanneer het zelfverwijt wegvalt, verandert de situatie. De eenzaamheid wordt niet langer gezien als persoonlijk falen, maar als een begrijpelijke emotionele reactie op omstandigheden. De angst blijft, maar verliest haar morele lading. Daardoor ontstaat ruimte om anders met de situatie om te gaan. Contact zoeken wordt minder beladen, en het aannemen van ondersteuning minder bedreigend.

Dit perspectief biedt ook mogelijkheden wanneer het alleen zijn niet eenvoudig kan worden opgelost, bijvoorbeeld door lichamelijke beperkingen, een klein netwerk of verlies van dierbaren. Zonder het ego dat de situatie blijft veroordelen, kan worden gewerkt aan weerbaarheid: leren omgaan met de lichamelijke sensaties van angst en spanning, en manieren vinden om het leven draaglijk te houden, ook wanneer verbinding beperkt is.

Samenvatting

Het geloof in een ego heeft een diepgaande invloed op emoties. Emoties worden niet alleen ervaren, maar ook persoonlijk gemaakt: ze worden gezien als van mij, over mij en door mij veroorzaakt. Hierdoor krijgen gevoelens als angst, schaamte, boosheid of verdriet een extra lading. Ze worden niet enkel een tijdelijke ervaring, maar een oordeel over wie iemand is of hoe hij faalt.

Door deze identificatie worden emoties versterkt en vastgezet. Angst wordt een bewijs van zwakte, verdriet een teken van tekortschieten, boosheid een verdediging van een bedreigd zelfbeeld. Het lijden ontstaat daardoor niet zozeer uit de emotie zelf, maar uit het verhaal dat het ego eraan verbindt.

Wanneer het geloof in een ego afzwakt, verandert de relatie tot emoties fundamenteel. Emoties worden weer wat ze oorspronkelijk zijn: signaalsystemen die je beschermen, zonder persoonlijke betekenis. Daarmee verdwijnt niet de emotie, maar wel datgene wat haar in stand houdt.

4.3  Het ego: de winnaar en de verliezer.

De invloed van het ego werkt ook door  in de maatschappij. Dit zie je met name wanneer  er sprake is van succes in het leven. Succes wordt vanuit het ego gezien als het gevolg van eigen keuzen en wilskracht zonder te erkennen hoeveel  omgevingsfactoren, zoals een goede jeugd, sterke scholen of erfelijke aanleg hebben bijgedragen. Dit leidt tot een negatief oordeel over de minder succesvolle mensen die moeilijker meekomen. Als succes volledig afhangt van de wilskracht  en de  keuzen van het individu, dan is  falen ook het gevolg van zijn keuzes en dus de  eigen schuld.. De steun aan mensen die bijvoorbeeld werkloos zijn, chronisch ziek of laagopgeleid, wordt dan al snel gezien als een onterechte beloning voor gebrek aan inzet. Empathie en maatschappelijke solidariteit verschuiven naar de achtergrond, omdat men denkt: “Als ik het kan, dan kan iedereen het.” en “waarom zou je een deel van je zuurverdiende geld afstaan aan  mensen die niet willen’  De succesvolle mens ziet zijn eigen bevoorrechte positie niet meer als geluk, maar als iets waar hij/zij recht op heeft. De  grote verschillen in inkomens  zijn voor hen geen teken van onrechtvaardigheid, maar simpelweg het logische resultaat van de juiste keuzes maken.

Doordat in veel westerse  landen dit ego-gerichte denken  overheerst zie je dit terug  in hoe de samenleving is ingericht is, met name op het gebied van inkomensbeleid, sociale zekerheid en gezondheidszorg.

Loon- en Vermogens Politiek

Vanuit het egodenken wordt een grote inkomensongelijkheid  als gerechtvaardigd beschouwd. De CEO die honderden keer meer verdient dan de gemiddelde werknemer, is dan iemand die dit loon verdiend heeft vanwege zijn unieke talent en risico. Er is dan ook weinig bereidheid om dit door middel van herverdeling te corrigeren,

Een lage belasting op vermogen is vanuit die gedachte  dan ook terecht, omdat het  beschouwd wordt als het resultaat van eigen keuzes en slim investeren. Politieke maatregelen die vermogensongelijkheid aanpakken, zoals hoge erfbelasting of progressieve vermogensbelasting, worden fel bestreden als een inbreuk op het individuele eigendomsrecht. Een vermogend iemand heeft ‘recht op’ de vruchten van zijn inzet, ongeacht de maatschappelijke impact of de oorsprong van dat kapitaal (bijvoorbeeld erfenis).

Het Sociale Stelsel

Het sociale vangnet wordt vanuit het egodenken  niet gezien als een essentieel onderdeel van solidariteit, maar als iets dat misbruikt wordt door de ‘niet-willers’. De steun aan werklozen, zieken of mindervaliden wordt omgeven door strenge eisen en bureaucratie. Het primaire doel is niet zozeer het ondersteunen, maar het controleren en voorkomen dat ‘luie mensen’  onterecht profiteren.

De focus ligt op het zo snel mogelijk terugsturen naar betaald werk, zelfs als dat werk onderbetaald is of ver onder het opleidingsniveau ligt. Dit komt voort uit de overtuiging  dat het gebrek aan betaald werk de eigen schuld van het individu is, ongeacht de economische realiteit of de persoonlijke omstandigheden. Het sociale stelsel wordt daardoor vaak gezien als een gift in plaats van een recht.

De Gezondheidszorg 

Door het egodenken wordt gezondheid vaak gezien als een individuele verantwoordelijkheid, Ziekte of chronische aandoeningen zijn dan het gevolg van verkeerde leefstijlkeuzes  (te veel eten, roken, gebrek aan sport). Dit ontslaat de maatschappij daarom van de collectieve verantwoordelijkheid. In landen waar het geloof in de eigen verantwoordelijkheid dominant is (zoals de VS), leidt dit tot een sterk geprivatiseerde zorg. De toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg wordt gekoppeld aan de financiële status van het individu. De ‘winnaar’ met de juiste verzekering krijgt de beste en snelste behandeling; de ‘verliezer’ zonder middelen heeft vaak beperkte of geen toegang. De filosofie is hier: je hebt je eigen succes gecreëerd, dus je bent ook zelf verantwoordelijk voor je gezondheid en de kosten daarvan, wat maatschappelijke solidariteit in de zorg minimaliseert.

Uit onderzoek blijkt dat landen met een hoge mate van onderlinge solidariteit gemiddeld beter scoren op welzijn en levensverwachting dan landen waarin vooral de nadruk ligt op individuele verantwoordelijkheid

4.4  Samenvatting

Ons diepste, natuurlijke motivatie is gericht op overleving via samenwerking, een drang tot ontwikkeling en het gebruik van biologische ‘gereedschappen’ zoals empathie, gevoel voor rechtvaardigheid en wederkerigheid. Dit mechanisme heeft al onze energie nodig om de echte problemen in de wereld aan te pakken.

Het geloof in een onafhankelijk ‘ego’ plaatst hier echter een psychologische barricade. Omdat we dit denkbeeldige zelfbeeld als even reëel ervaren als ons lichaam, kaapt het de meeste energie voor zijn bescherming. Dit is de stoorzender die onze natuurlijke processen saboteert. Dit leidt tot een wedijver om status en erkenning, een toename van emotionele problematiek en een verharding van de maatschappij.

Hoofdstuk 5: Samenvatting/Conclusie

Dit essay begon met de stelling dat een van de oorzaken van veel van de huidige problemen voortkomt uit een fundamentele misvatting over de menselijke aard: de overtuiging dat we fundamenteel anders zijn dan de natuur. Dit uit zich in het idee dat we meer zouden zijn dan ons fysieke lichaam , namelijk dat we ook nog een onstoffelijke, innerlijke persoon hebben die ons gedrag stuurt en daar verantwoordelijk voor is (het ‘ego’ of het ‘Ik’).

Er zijn  argumenten aangedragen om aan te tonen dat het idee van zo’n zelfstandig ‘ik’ een illusie is en dat we geen lichaam hebben, maar het lichaam zijn. 

Vanuit evolutionair perspectief is er namelijk geen grens te trekken tussen mens en andere primaten om zo’n ‘magische sprong’ van een stoffelijke naar een onstoffelijke kern te verklaren. Neurowetenschappelijk onderzoek bevestigt dit door aan te tonen dat beslissingen vaak onbewust plaatsvinden, seconden voordat we ons er bewust van worden. 

Wat we ervaren, is een ‘biologisch ik’ dat functioneert als een noodzakelijke vertegenwoordiger van ons lichaam. Ons denken, voelen en handelen is dan ook niet het product van dit ‘ik’, maar een onderdeel van een complexe keten van oorzaken en gevolgen.

 Een belangrijke oorzaak voor ons gedrag is  de evolutionair bepaalde motivatie om te  overleven en het behoud van de soort. Deze motivatie vertaalt zich in een aantal aangeboren behoeften en gereedschappen om deze behoeften te kunnen vervullen. Deze stellen de mens in principe in staat zich te ontwikkelen tot een sociaal, creatief, rechtvaardig en emotioneel evenwichtig  wezen. 

Het geloof in een ego verstoort dit proces echter in ernstige mate.  In plaats van energie te richten op het aanpakken van echte problemen en het versterken van de gemeenschap, verandert het ego functionele emoties in verlammende schuld en verbittering. Het dwingt ons tot een strijd om status en imago, waardoor samenwerking plaatsmaakt voor competitie. 

Op grotere schaal verhardt dit ego-denken de maatschappij, ondermijnt het onze aangeboren empathie en leidt het tot de afbraak van solidariteit, wat essentieel is voor het welzijn van de soort. Kortom, het ego is de psychologische barricade die de mens afsnijdt van zijn natuurlijke potentie en hem dwingt om tegen zijn eigen biologische belangen in te handelen.


Hoofdstuk 6: Inzicht

Wanneer je inziet dat je geen lichaam hebt, maar een lichaam bent, zul je:

Meer letten op je gezondheid: Je beseft dat je mentale toestand en gedrag het directe resultaat zijn van je fysieke systeem. Zelfzorg (slaap, voeding, beweging) wordt een prioriteit, niet een ‘optie’ maar een fundamentele onderhoudsbehoefte.

Je richten op intrinsieke doelen: Je zoekt doelen (bv. werk) die echt bij je passen en je aangeboren drang tot ontwikkeling voeden, in plaats van te voldoen aan de externe verwachtingen die je ego moet vullen (‘wat de omgeving van je verwacht’).

Minder gevoelig zijn voor externe beïnvloeding: De leegte van het ego valt weg, waardoor je minder kwetsbaar bent voor de exploitatie door reclamebureaus en perfectionistische maatschappelijke rollen. Je persoonlijke waarde hangt niet meer af van externe validatie of bezit.

Minder defensief reageren: Feedback of kritiek wordt niet langer ervaren als een aanval op je ‘zelfbeeld’ (het ego), maar als functionele informatie voor je 

Meer leren van ervaringen 

Wanneer je inziet dat gedrag geen keuze is maar het gevolg van een complex van oorzaken, zul je:

Milder zijn naar jezelf en de ander: De neiging tot zelfveroordeling en schuldgevoel verdwijnt, omdat er geen ‘schuldige’ bestaat. Dit geldt ook voor het veroordelen van anderen, wat empathie en wederkerigheid vergroot.

Het gevoel van trots omdat je meent dat succes aan jou te danken is, zal veranderen in dankbaarheid voor het feit dat je zoveel geluk hebt gehad.

Meer leren van  dan tobben over moeilijke situaties: Negatieve emoties (boosheid, verdriet) richten zich op de feitelijke situatie en haar oorzaken, in plaats van op de ‘schuldige’ (jezelf of de ander). Dit maakt constructieve oplossingen en herstel mogelijk, in plaats van destructieve verbittering.

Zul je ontvankelijker zijn voor maatschappelijke solidariteit en het steunen van sociale stelsels, in plaats van ‘winnaars’-denken dat steun ziet als een onterechte beloning voor gebrek aan inzet.

Wanneer je inziet dat je niet boven de natuur staat en er ook niet fundamenteel van verschilt, zul je:

  • Erkennen  dat je als biologisch organisme volledig afhankelijk bent van het grotere ecosysteem. Het beschermen van de natuur wordt niet alleen een morele plicht, maar een vorm van zelfbescherming.

Tot slot:

Bij dit essay is een belangrijke kanttekening op zijn plaats. De centrale stelling – dat het onafhankelijke ‘ik’ of ‘ego’ een illusie is en dat we ons lichaam zijn – is voor velen een radicale visie die haaks staat op ons diepgewortelde culturele en taalkundige geloof.

Het weerspiegelt wel  mijn persoonlijke overtuiging en onderzoek, maar het staat uiteraard open voor discussie.

Dat is ook de reden voor dit blog. De hoop is dat u, als lezer, al iets aan deze inzichten kunt hebben. Maar bovenal is het een uitnodiging tot reageren en meedenken. Uw reacties, kritiek en persoonlijke ervaringen zijn voor mij erg belangrijk om de geschetste visie verder te verdiepen en meer te vertalen naar de praktijk.

André Bosscher